Filosofische Praktijk "Omdat"
Welkom
Uw motto?
Mogelijkheden
Filosoof zijn
Contact
Tijden & tarieven
Erasmus Institute for Philosophical Practice
Philosophical city walk through Rotterdam
Filosofische stadswandeling
Photos
Blog
April, 2015
Voor consultatie & coaching
Blog
RSS
Art of Questioning
4/27/2015 1:38:09 PM

By posing questions, a philosophical counsellor deepens the dialogue with his guest. The questioning is usually inspired by the Socrates of the early Platonic dialogues, such as ‘Laches’ and ‘Euthyphro’. A radical questioning defies every attempt to define a concept (courage or virtue), ending up with an ‘aporia’: we know that we do not know, a state of mind that can be called philosophical. Starting point is the ‘what-is’ question: repeated again and again until the aporia is reached. The philosophical - ‘what is x’ - questions about being, doing or having actually incorporate the ‘not-knowing’. This not-knowing does not refer to the knowledge of facts. The ‘not-knowing’ refers to an attitude which is a source of questioning the obvious, a detachment from dogmatic knowledge, an impetus for critical thinking, so that there is room for an authentic (re)construction of the guest’s life style. The ‘not-knowing’ opens up possibilities for a guest to look at his questions in a new way. Some people may suffer from posing or sticking to (wrong) questions about unsolvable problems, a fixed past or to an unattainable future. The Socratic approach offers a way out. It takes the guest from one question to another, aiming to end up with a philosophical question. A philosophical question is like a Zen riddle (Koan). A Zen riddle is not to be solved. It (just) serves the training of a contemplative attitude in life. In the same way we can understand the philosophical question. It is a question, not there to be answered. It serves to train a critical attitude in life. (Peter Harteloh, Journal of Practical Philosophy, 2010).

Filosoferen in De Lier
4/27/2015 12:53:07 PM

De Abt Nansen doodt een katje

In het China van de T’ang tijd leefde op de Nan Ch’ijan berg de beroemde Zen-priester P’u-yüan en naar die berg werd hij ook Nan-ch’ijan genoemd. Toen de monniken op een dag gras waren gaan snijden verscheen er een katje in de vredige bergtempel. Dat was zo merkwaardig dat iedereen er achteraan joeg, maar toen men het te pakken had, wilden zowel de monniken van de Oost hal als die van de West hal in de tempel het katje als hun mascotte hebben. Vader Nansen zag dit aan en toen men het beestje bij hem bracht, tilde hij het onmiddellijk bij zijn nekvel op, hield er zijn sikkel bij en zei: “Als iemand van jullie het woord kan spreken, zal het gered zijn; als je het niet kunt, zal het gedood worden.” Niemand antwoordde. Nansen doodde het katje en gooide het van zich af. Toen het avond werd, keerde Joshu, de voornaamste leerling, naar de tempel terug. Vader Nansen vertelde hem wat er was gebeurd en vroeg zijn mening. Joshu trok onmiddellijk zijn sandalen uit, legde ze op zijn hoofd en liep naar buiten. Nansen zuchtte en zie: “Als jij vandaag hier was geweest, zou het katje nog leven.”’

 

Bron: Mishima, Yukio.  Het gouden Paviljoen, Amsterdam Meulenhoff, 1986, p. 63-64.

Opdracht: Formuleer één vraag die bij het raadsel past!

 

Filosoferen over een raadsel

Gedurende de zitting in een huiskamer uit 1750 in het museum de Timmerwerf van De Lier kwamen op 18 april 2015 zes groepen van ongeveer 15 personen langs die deelnamen aan een culturele avondwandeling. Het Zen-raadsel werd door mij voorgelezen als oefening in het luisteren en de daarvoor vereiste concentratie. Vervolgens was er stilte. De deelnemers contempleren ieder voor zichzelf op het raadsel en de opdracht een vraag te vinden die er het beste bij past. De klok in de kamer tikte de seconden af. Dan stelde een van de deelnemers wanneer deze zich daartoe geroepen voelde een vraag. Per groep was er één vraag toegestaan. Het toestaan van slechts één vraag per groep benadrukt het existentiële belang van de vraag en de keuze die er met het stellen van de vraag verbonden is. De vraag beëindigde (het individuele gedeelte van) de individuele oefening. Na een korte reflectie mijnerzijds gingen de deelnemers verder, niet met een antwoord, maar met een vraag. De volgende vragen kwamen naar voren:

a.  a.Wat zou de reden hebben kunnen zijn om het katje van de dood te redden?

b.   b.Had Joshu nog geleefd als hij aanwezig was geweest toen het katje werd gedood?

c.    c. Waarom bestaan er bij het Zen Boeddhisme rivaliserende monniken?

d.   d. Waarom zou het katje nog leven als Joshu er was geweest?

e.   e. Waarom zet Joshu sandalen op zijn hoofd?

f.     f. Wat is de betekenis van de sandalen op het hoofd van Joshu?

 Er zijn geen goede of slechte vragen. De naar voren gebracht zinnen zijn alle herkenbaar als een vraag: een zin met een vragend voornaamwoord en/of een vraagteken. Het gaat erom of de vraag past bij het raadsel. De oefening plaatst de groep in de rol van de monniken van het klooster. De stilte roept de Zen-sfeer op. De vraag verdiept de betekenis van het raadsel voor de groep. Vier (b, d ,e, f) van de zes vragen thematiseren een belangrijk aspect van het raadsel, namelijk de handeling van Joshu. Zij richten de aandacht op wat wel als het meest mysterieuze, maar mogelijk wel essentieel onderdeel van het raadsel wordt beschouwd (“Het innemen van de juiste houding als oplossing”). Daarbij lijkt de vraag (b) de sfeer van ongerijmdheid en het karakter van het Zen-raadsel als raadsel tot uitdrukking te brengen. De twee andere vragen (a, c) beogen een synthese door de (mogelijk) achterliggende grond van het raadsel te thematiseren en veronderstellen daarmee impliciet dat deze er ook is. Zij voeren ons in een geheel andere richting dan de vraag (b). Maar wat is de juiste richting?

 Feitelijk bevat het raadsel drie delen: 1. de tijdsbepaling (Betekenis? Waarom wordt iemand naar een berg vernoemd?), 2. het doden van het katje: traditioneel geïnterpreteerd als het radicaal doden van het verlangen als onderdeel van de onthechting en stap op de weg naar verlichting (Waarom ook een onschuldig of mooi object van verlangen doden?), 3. Het innemen van de juiste houding door Joshu (Wat is de juiste houding? Een uitdrukking van nederigheid?). Over deze verschillende onderdelen kunnen we filosoferen. Het feitelijke raadsel zit echter in de verborgen connectie tussen de delen: de onuitgesproken synthese (Ofwel: wat is verband tussen de juiste houding en het omgaan met het verlangen in de praktijk?). Een synthese die, het raadsel eendachtig, niet benaderd kan worden door erover te spreken, maar door zelf de desbetreffende houding in te nemen, deze te ervaren en te onderzoeken…

De kunst van het vragen stellen

Op sommige vragen in het leven is er geen antwoord. Toch hebben deze vragen zin. De kunst van het vragen stellen doortrekt de Oosterse en Westerse filosofie. In de Zen traditie dient het vragen stellen de poging een raadsel op te lossen dat niet op te lossen is. Een echt raadsel is een raadsel zonder oplossing. Het vragen stellen staat ten dienste van de vorming van een contemplatieve houding. Het leren leven met het mysterie. Het verschijnsel dat de verwondering oproept, maar geen oplossing kent. De oplossing doet het raadsel immers … oplossen en verdwijnen. In de Socratische traditie is het net zo. Volgens Socrates is een vraag pas een echte vraag als er geen antwoord voorhanden is. Filosofische vragen kennen geen antwoord. Zodra er een antwoord is, wordt de vraag technisch, economisch of politiek. Het stellen van filosofische vragen dient de vorming van een kritische houding. Het leren leven met een vraag zonder antwoord is een kunst. Het is verbonden met de juiste houding, zoals de leerling monnik Joshu toont.

 

In de oefening doet de inhoud van de vraag er niet zoveel toe. Een persoon in de groep neemt de verantwoording, net zoals dat van de Monniken van de bergtempel wordt gevraagd. De vraagsteller doorbreekt de stilte en heeft de moed te spreken. De vraagsteller beëindigt een innerlijk (denk)proces van de anderen. Dat is een radicale daad, net zoals het doden van het katje. Het is ook een provocatie. De anderen worden uitgedaagd zich tot de vraag van de ander te verhouden. De vraagsteller wordt echter zelf ook getroffen. Het geven van een antwoord hoort niet tot de oefening en wordt verhinderd. Het verlangen naar een antwoord wordt uitgedacht. U wordt heen gestuurd met een vraag. Welke houding brengt deze tot uitdrukking?

P.P.M. Harteloh
26 april 2015

2 items total

WelkomUw motto?MogelijkhedenFilosoof zijnContactTijden & tarievenErasmus Institute for Philosophical PracticePhilosophical city walk through RotterdamFilosofische stadswandelingPhotosBlog